Gerechtshof Den Haag: Kansspelbelasting voor gokautomaten is rechtmatig

Het Gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat de heffing van kansspelbelasting op exploitanten van kansspelautomaten in lijn is met zowel Europees als Nederlands recht. Hiermee wordt een eerder oordeel van de rechtbank bevestigd, wat betekent dat naheffingsaanslagen voor de periode van juli 2008 tot en met december 2016 onverminderd van kracht blijven. De zaak betrof een onderneming die betrokken is bij de verhuur van kansspelautomaten aan entiteiten binnen dezelfde groep die speelautomatenhallen exploiteren.

Laatste update:

Argumenten tegen Kansspelbelasting verworpen

De kern van het juridische geschil lag bij de kansspelbelasting die sinds medio 2008 van toepassing is op aanbieders van kansspelautomaten. De betreffende onderneming tekende verzet tegen deze belasting en de daaropvolgende naheffingsaanslagen wegens niet of te late betaling. Eerder waren verzuimboetes, opgelegd in 2013, al verminderd na een schikking tussen de partijen.

Een cruciaal argument van de eiser was dat de kansspelbelasting in strijd zou zijn met de Europese regelgeving rondom de btw. Het Gerechtshof achtte dit argument echter ongegrond. Volgens de rechtbank is er een duidelijk onderscheid tussen de kansspelbelasting en btw. De kansspelbelasting is specifiek gericht op kansspelen, terwijl btw van toepassing is op een breed scala aan goederen en diensten. Bovendien wordt de kansspelbelasting slechts eenmaal geheven, in tegenstelling tot btw dat in diverse fasen van de leveringsketen wordt berekend. Om deze reden zag het hof geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Daarnaast werd aangevoerd dat er zaken op een ongelijke manier worden behandeld. Aanbieders van speelautomatenhallen betalen namelijk wel kansspelbelasting, terwijl exploitanten van kermisautomaten hiervan zijn vrijgesteld. Het hof stelde echter dat de wetgever dit onderscheid bewust heeft gemaakt. Omdat kermisautomaten geen geldprijzen mogen uitkering vallen deze onder een andere regelgeving. Voor speelautomatenhallen gelden aanvullende vereisten, zoals een minimumleeftijd van achttien jaar. Het hof concludeerde dat deze verschillen de ongelijke behandeling rechtvaardigden. Het argument dat de belasting in strijd zou zijn met het Europese beginsel van fiscale neutraliteit werd eveneens verworpen, omdat het hof van oordeel was dat dit beginsel in deze casus niet van toepassing was.

Geen onevenredige financiële druk

De onderneming poneerde ook dat de kansspelbelasting een excessieve financiële last zou opleggen aan de sector, ondersteund door branchegegevens en onderzoeken. Het hof vond echter dat deze informatie onvoldoende aantoont dat de wet in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Tevens werd niet aannemelijk gemaakt dat de belasting voor de specifieke onderneming een uitzonderlijk zware financiële verplichting vormde. De overgelegde jaarrekeningen betroffen bovendien een periode na de geschilperiode.

Andere bezwaren, waaronder de stelling dat de kansspelbelasting fundamentele rechtsbeginselen zou schenden of dat er sprake zou zijn van verboden staatssteun voor bepaalde exploitanten, werden eveneens door het hof verworpen.

Gelijkluidende uitspraak in ‘s-Hertogenbosch

Deze uitspraak van het Gerechtshof Den Haag sluit naadloos aan bij een eerdere beslissing van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, gedateerd 18 december 2024. In die zaak diende een vergelijkbare exploitant hoger beroep in op basis van vergelijkbare argumenten. Ook toen concludeerde het hof dat de kansspelbelasting niet de kenmerken van omzetbelasting droeg en rechtmatig was, zonder een disproportionele last te vormen. De argumenten over ongelijke behandeling en verboden staatssteun werden ook daar afgewezen. Dit betekent dat de juridische lijn in deze zaken consistent is. De uitspraken van beide gerechtshoven onderstrepen de geldigheid van de huidige belastingregels voor kansspelautomaten, hoewel beroep in cassatie bij de Hoge Raad nog mogelijk is.